De VOO heeft een persbericht verstuurd over de aangenomen motie in de Tweede Kamer voor hoge verwachtingen van ieder kind.
De Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) heeft een persbericht verstuurd naar aanleiding van de aangenomen motie in de Tweede Kamer over hoge verwachtingen voor ieder kind. In het persbericht spreekt de VOO haar steun uit voor het besluit om bij de beoordeling van scholen de sociaal-economische achtergrond van leerlingen niet langer mee te wegen. Volgens de VOO is het belangrijk dat voor alle kinderen dezelfde hoge verwachtingen gelden, ongeacht hun achtergrond. De organisatie benadrukt dat kansengelijkheid begint bij één duidelijke norm voor alle leerlingen en voldoende ondersteuning voor scholen die voor grotere uitdagingen staan.
Lees het persbericht hieronder:
VOO: Kamer kiest voor hoge verwachtingen van élk kind
De Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) is verheugd dat de Tweede Kamer vandaag een motie heeft aangenomen van de leden Biekman, Rooderkerk (D66) en Moorman (PRO) die de regering oproept om bij de beoordeling van scholen, de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen niet meer mee te wegen.
In de praktijk zorgt deze weging – die met goede intenties werd ingevoerd – ervoor dat er minder hoge eisen worden gesteld aan bepaalde leerlingen. Dit benadeelt kinderen in hun ontwikkeling: onderzoek laat zien dat lagere verwachtingen van leraren zorgen voor slechtere schooluitkomsten.
Waar gaat het over?
De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt of basisscholen voldoende leerlingen op het gewenste niveau voor taal en rekenen brengen. Daarvoor hanteert ze twee maten: het minimale niveau (1F) en het streefniveau (1S/2F). In Nederland is bepaald dat 85% van de leerlingen op iedere basisschool, het minimale niveau -1F- moet halen. Dat is anders bij het streefniveau 2F. Of dat moet worden gehaald hangt af van de achtergrond van de leerlingen. Hoe meer leerlingen met laagopgeleide ouders, ouders met een laag inkomen of ouders met een niet-westerse migratieachtergrond, hoe lager de norm is waaraan die school moet voldoen. In de praktijk kan dit betekenen dat de inspectie van een school met veel hoogopgeleide ouders verwacht dat 68 procent van de leerlingen het hogere niveau haalt maar genoegen neemt met slechts 30 procent ‘2F-ers’ op een school met een meer uitdagende populatie. Deze verschillende weging kan ertoe leiden dat een school waar nog geen derde van de leerlingen het streefniveau haalt, toch een ‘voldoende’ krijgt van de Inspectie.
“De norm zou moeten beschrijven wat een kind nodig heeft om goed mee te komen, en daarbij past niet een signaleringswaarde op basis van wat we gezien de achtergrond van de ouders van de kinderen durven te verwachten”, zegt Marco Frijlink, voorzitter van de VOO. “Door de norm voor de school te koppelen aan de achtergrond van de leerlingen, gaan scholen uit van minder leerlingen die het streefniveau halen, en dat zorgt voor lage verwachtingen van leerlingen. Daarom moeten we het oordeel van de Onderwijsinspectie over de school loskoppelen van de verwachtingen van de kinderen.”
Wat nu nodig is
Wat de VOO betreft zijn de logische vervolgstappen:
- Zorg voor één enkele leernorm voor alle kinderen in Nederland. Deze norm gaat over de kennis en kunde die elk kind nodig heeft om mee te kunnen doen in de samenleving. Elke school moet als doel hebben 100% van de leerlingen op deze norm te krijgen.
- Zorg ervoor dat scholen met een meer uitdagende populatie voldoende middelen hebben om alle kinderen naar dit niveau te krijgen.
- Veranker bovenstaande punten in wet- en regelgeving, zodat alle scholen toewerken naar hetzelfde taal- en rekenniveau voor alle kinderen.
“Dit is geen verwijt aan scholen of aan de inspectie, want zij werken op dit moment binnen de regels die zijn afgesproken”, aldus Frijlink. “Maar het is tijd om die regels te herzien. Ze zijn met de beste bedoelingen bedacht, om scholen niet af te rekenen op factoren buiten hun macht, maar ze pakken verkeerd uit. Wie kansengelijkheid serieus neemt, kan niet accepteren dat van een kind minder wordt verwacht vanwege de achtergrond van de ouders.”
“Daarbij zijn wij van mening dat we leerlingen in het basisonderwijs te vroeg selecteren voor het voortgezet onderwijs. Daar worden met name de leerlingen die met een ‘achterstand’ in het basisonderwijs beginnen, de dupe van. Als de selectie niet zo vroeg plaatsvindt, hoeft de Inspectie ook geen rekening te houden met de achtergrond van de leerlingen, bij de beoordeling van de school”, aldus Frijlink.
Marco Frijlink
VoorzitterMarco is sinds 2019 voorzitter van de VOO, waar hij zich in het bijzonder bezighoudt met het goed functioneren van de vereniging.
Meer over MarcoInschrijven voor onze nieuwsbrieven
"*" geeft vereiste velden aan
Lees ook
Waarom hoge verwachtingen van kinderen belangrijk zijn voor kansengelijkheid? Emeritus hoogelaar neuropsychologie Jelle Jolles legt het uit.