Iedereen mag leren: rechten van het kind centraal

Gepubliceerd op: maandag 4 november, 2019

In het Nederlandse onderwijs is vaak het aanbod sturend, terwijl op basis van de rechten van het kind, het recht om te leren centraal zou moeten staan. Wat levert het wettelijk vastleggen van en denken vanuit ‘leer-recht’ op en wat is hiervoor nodig?

Tekst Leone de Voogd Illustraties Anne Staal

‘Beperkt en begaafd, ieder kind verdient onderwijs om zichzelf maximaal te ontplooien, ook als dat extra zorg of ondersteuning vraagt.’, zo lezen we in het Regeerakkoord 2017-2021. Daarin werd ook aangekondigd dat de regering de mogelijkheden van een leerrecht zou onderzoeken. Dit idee is niet nieuw. Al in 2013 publiceerde Marc Dullaert als Kinderombudsman het rapport Van leerplicht naar leerrecht, waarin hij stelt dat er een omslag in het denken nodig is: ‘Slechts door vanuit [dit] leerrechtperspectief te handelen, kan het in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind omschreven recht op onderwijs in Nederland voldoende worden gewaarborgd.’ Deze omslag in het denken wordt door steeds meer partijen gemaakt en past in bredere discussies rondom passend onderwijs en onderwijsinnovatie. Ook bij recente debatten over artikel 23 Grondwet spraken velen hun verbazing uit over het feit dat de rechten van het kind niet centraal staan in dit onderwijsartikel. Wat zou het betekenen als we leerrecht wél als uitgangspunt zouden nemen in wetgeving en organisatie van het onderwijs?

Van wie is het onderwijs?

De vrijheid van onderwijs is voor de een heilig en de ander een doorn in het oog, maar wie komt deze vrijheid nu eigenlijk toe? In het huidige onderwijsstelsel vormen de onderwijsaanbieders het vertrekpunt, maar bij de recente hoorzitting over Artikel 23 pleitte de VOO en ook hoogleraar onderwijsrecht Zoontjes ervoor het (leer)recht van de onderwijsvrager centraal te stellen en een expliciet recht op kosteloos funderend onderwijs op te nemen in de Grondwet (1). Zo’n kindgericht perspectief op het recht op onderwijs is wel aanwezig in internationale verdragen (zie kader). In Nederland is het leerrecht momenteel alleen indirect gewaarborgd door de leerplichtwet, die ouders verplicht hun kind naar school te laten gaan. Scholen hebben echter grote beleidsvrijheid bij toelating van leerlingen. 

Volgens een op verzoek van de Tweede Kamer door het NCOR uitgevoerde studie naar leerrecht (2), spelen bij het begrip leerrecht een aantal thema’s een rol: a) het belang van het kind en de bescherming van gehandicapten; b) rechten van het kind rondom toelating, doorstroming en diplomaverlening; c) een op diversiteit gerichte benadering van het curriculum, passend onderwijs en kwalificatie-eisen. Wanneer leerrecht als uitgangspunt genomen wordt, zijn grote vraagtekens te stellen bij de scheiding tussen regulier en speciaal onderwijs en bij het weigeren van leerlingen op denominatieve grondslag. Ook vraagt het om een flexibeler onderwijsaanbod, waarbij beter bij individuele leerlingen aangesloten kan worden, zoals ook het College voor de Rechten van de Mens bepleit, om knelpunten rondom gelijke kansen op te lossen (3).  

De Onderwijsraad waarschuwde in 2017 in het rapport ‘De leerling centraal?’ echter voor een te geïndividualiseerd onderwijssysteem, waarbij de maatschappelijke opdracht juist in het gedrang kan komen. Ook kan het civiele effect van diploma’s verwateren: vervolgopleidingen en werkgevers weten niet meer waar een diploma voor staat en kunnen dan juist weer aanvullende drempels opwerpen. Met betrekking tot leerrechten worden vergelijkbare risico’s benoemd. Leerrechten kunnen niet alleen botsen met de vrijheid van onderwijs, de kerndoelen en rechten van andere kinderen en ouders, ze zouden ook kunnen leiden tot overspannen verwachtingen bij individuen en een gebrek aan sociale cohesie en oog voor het belang van de groep (4). Het onderwijs is immers ook ‘van en voor de samenleving’.  

Schoolplicht of ‘anders leren’?

De roep om een wettelijk leerrecht is met name hoorbaar is discussies over passend onderwijs en de problematiek rondom thuiszitters. De in 2014 ingevoerde Wet Passend Onderwijs was bedoeld om meer leerlingen een plek te geven in het regulier onderwijs en voorziet in een zorgplicht voor scholen. Voor veel leerlingen wordt echter nog steeds geen passende oplossing gevonden en de zorgplicht wordt bewust of onbewust niet altijd nageleefd. Vanwege het grote aantal thuiszitters (4479 in schooljaar 2017-2018) werd Dullaert door de regering gevraagd advies te geven over doorzettingsmacht in situaties waar geen overeenstemming bereikt wordt over een passend aanbod. Hij geeft aan dat we nog teveel denken vanuit de leerplicht en het handhaven daarvan en pleit ervoor deze te vervangen door een recht op ontwikkeling (5).

Wanneer een kind geregeld of langere tijd niet op school verschijnt, moet er altijd een alarmbel gaan rinkelen. Vaak is verzuim een symptoom van onderliggende problematiek en volgens Dullaert is het dan ook vreemd om onderscheid te maken tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. Uitgaande van een leerrecht, is er immers geen legitieme reden om dit recht te laten varen. Om vergelijkbare redenen is er veel kritiek op de vrijstellingen van de leerplichtwet op basis van artikel 5 onder a. Dit artikel regelt dat kinderen die om psychische of lichamelijke redenen niet in staat zijn om naar school te gaan, niet langer verplicht ingeschreven hoeven te staan en geen leerplicht hebben. Deze vrijstellingen lijken echter te vaak gegeven te worden, waar er wel degelijk mogelijkheden zijn voor onderwijs-zorgarrangementen op maat. Dullaert pleit er dan ook voor deze vrijstellingen helemaal af te schaffen, omdat ze een pervers effect kunnen hebben. Hierdoor wordt de leerplicht omzeild en dus ook het recht op onderwijs niet gewaarborgd.  

Het is belangrijk hierbij onderscheid te maken tussen leerplicht en schoolplicht en dus ook tussen leren en ontwikkelen enerzijds en schoolbezoek anderzijds. De leerplicht betekent in Nederland de facto een schoolplicht, waar dus alleen met vrijstellingen vanaf geweken kan worden. Onderwijs hoeft echter niet altijd op school plaats te vinden. Voor de juiste ondersteuning moeten we volgens Dullaert uitgaan van ‘anders leren’ (waar dan ook, hoe dan ook). Bij het organiseren van dit soort maatwerk, blijkt men momenteel tegen beperkende regelgeving aan te lopen, alsmede gescheiden werelden en budgetten, waardoor ook nog eens de vraag speelt uit welk potje dit betaald moet worden.

Wat heeft het kind nodig?

Die beperkingen blijken uit een op verzoek van de Coalitie Onderwijs-Zorg-Jeugd opgesteld rapport (6). Daarin stelt René Peeters dat ‘Wat heeft het kind nodig?’ de centrale vraag moet zijn in het onderwijs. ‘Wat hiermee bedoeld wordt is dat het kind zich niet moet aanpassen aan wat het onderwijs te bieden heeft, maar dat het onderwijs zich moet aanpassen aan de behoefte van het kind.’ Het lijkt een logische constatering. Wanneer dit uitgangspunt daadwerkelijk centraal zou staan, roept dat echter ook de vraag op welke plaats het speciaal onderwijs nog moet innemen. Vaak wordt nu gesproken van ‘regulier onderwijs waar het kan, speciaal onderwijs waar het moet’, maar als het onderwijs zich aanpast aan de behoeften van het kind, zou er van dat ‘moeten’ geen spraken moeten zijn. Tegelijkertijd biedt het speciaal onderwijs nog steeds een uitlaatklep voor leerlingen waar men in het regulier onderwijs geen raad mee weet, wat de noodzaak tot het bieden van volledig inclusief onderwijs verkleint.

Pleitbezorgers van inclusief onderwijs stellen dat alle leerlingen samen naar school zouden moeten kunnen, ongeacht hun ondersteuningsbehoefte. Het gaat daarbij niet alleen om de toegankelijkheid van het onderwijs, maar ook om het streven naar gelijkwaardige leerervaringen, – processen en -uitkomsten van alle leerlingen (7). Het werken aan inclusiever onderwijs, vraagt een visie van de school waarin écht ieder kind welkom is, en bepaalde waarden en competenties van leerkrachten. Een bepalende factor is een positieve attitude ten opzichte van diversiteit en leerlingen met specifieke behoeften en de wil om samen te werken. Vervolgens moet de leraar ook in staat zijn effectief onderwijs te geven in heterogene klassen. Dat vraagt kennis van en gevoel voor verschillende behoeften en achtergronden en vaardigheden om voortdurend te kunnen differentiëren. Inclusiever onderwijs is echter niet iets van de leerkracht en de school alleen. Zoals zowel Dullaert als Peeters ook stellen, staat of valt het met een inclusievere samenleving, waarin de vraag ‘wat heeft dit kind nodig?’ écht vanzelfsprekend is.

Voor het radicaal centraal stellen van het leerrecht zou het onderwijsstelsel flink op de schop moeten. Door het NCOR zijn echter ook opties uitgewerkt waarin binnen het huidige stelsel het leerrecht van onderwijsvragers versterkt wordt. Dit is vooralsnog ook de weg die minister Slob kiest, door bijvoorbeeld te werken aan doorstroom-rechten tussen verschillende onderwijsniveaus en aan doorzettingsmacht en onderwijs-zorgarrangementen in het kader van passend onderwijs en thuiszittersproblematiek8. Of de door velen bepleite omslag in het denken in Den Haag en elders in het land volledig gemaakt zal worden, blijft voorlopig dus nog de vraag.

Recht op onderwijs in internationale verdragen (kader)

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind stelt dat het belang van het kind altijd voorop moet staan bij alle maatregelen die het kind aangaan (artikel 3). Specifiek ten aanzien van het onderwijs erkennen alle deelnemende staten het recht van het kind op onderwijs en hebben zij zich ertoe verplicht ‘dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken’, o.a. door voor ieder kind beschikbaar en toegankelijk onderwijs te organiseren, voortijdig schoolverlaten te voorkomen en informatie en begeleiding te bieden bij onderwijs- en beroepskeuze (artikel 28). Tevens is vastgelegd dat het onderwijs o.a. gericht is op ‘de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind’ (artikel 29). Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van personen met een handicap stelt o.a. dat de deelnemende staten waarborgen dat ‘personen met een handicap toegang hebben tot inclusief, hoogwaardig en gratis basisonderwijs en tot voortgezet onderwijs en wel op basis van gelijkheid met anderen in de gemeenschap waarin zij leven’ (artikel 24).

Bronnen
1 2019Z15980 Position paper P. Zoontjes t.b.v. hoorzitting/rondetafelgesprek Artikel 23 Grondwet d.d. 4 september 2019
2 Huisman, P.W.A., & Zoontjes, P.J.J. (2016). Leerrechten als struc-turele grondslag voor wetgeving. Rotterdam/Tilburg: NCOR.
3 https://mensenrechten.nl/nl/publicatie/38613
4 Leerrechten: een werkbaar begrip? Paul Zoontjens, Den Haag, VARO/NVOR, 29 maart 2018
5 Dullaert, M. (2019). De kracht om door te zetten. Hoe kunnen we de impasse rondom thuiszitten doorbreken?
6 Peeters, R. (2018) Mét andere ogen. Advies voor versnelling en bestendiging van de samenwerking onder-wijs-zorg-jeugd.
7 European Agency for Special Needs and Inclusive Education (2014). Vijf kernboodschappen voor inclusief onderwijs. Van theorie naar praktijk. Odense Denemarken.
8 Kamerbrief Stand van zaken thuiszitters. 15 februari 2019

Ik loop over de gang tijdens een tussenuur en daar zit een jongen op een krukje. Ik kijk door het raam en maak oogcontact met de lerares waarbij hij is weggestuurd. ‘Loop maar even mee, dan kletsen we even’, zeg ik tegen de leerling. We...



In opdracht van Versterking medezeggenschap heeft de VOO een nieuwe serie brochures ‘Ik in de MR?!’ geschreven. De brochures zijn inmiddels toegankelijk voor alle ouders en medewerkers op scholen die overwegen zich kandidaat te stellen voor de medezeggenschapsraad. In de digitale minibrochures die Versterking medezeggenschap heeft...