Ieder in een eigen hokje: van vrije keuze tot keurslijf

Gepubliceerd op: donderdag 4 april, 2019

‘Niet apart, maar samen’. Het is de lijfspreuk van de VOO en kenmerkend voor het openbaar onderwijs, maar dit uitgangspunt komt steeds meer onder druk te staan. Hoe kunnen scholen wél bijdragen aan ontmoeting en gelijke kansen? 

Al jaren wordt gewaarschuwd voor toenemende kansenongelijkheid en segregatie in het onderwijs, zonder dat dit tot veel actie heeft geleid. Ook het afgelopen jaar vroegen o.a. de Inspectie van het Onderwijs, de OESO, en UNICEF hier aandacht voor (1) en recentelijk luidde de Onderwijsraad opnieuw de noodklok (2), waarbij ditmaal ook duidelijk richting werd aangegeven voor beleid om het tij te keren.

Maatschappelijke opdracht blijft liggen

De Onderwijsraad constateert dat de maatschappelijke opdracht van het onderwijs in het gedrang komt. Scholen hebben immers niet alleen de taak om kinderen voldoende te scholen voor de arbeidsmarkt, maar ook om hun gelijke kansen te bieden om zichzelf te ontwikkelen, én om een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de samenleving. 

‘Voor welzijn, cohesie en maatschappelijke stabiliteit is het belangrijk dat de samenleving sterke sociale verbanden kent en dat mensen de waarden kunnen respecteren en voorleven die ten grondslag liggen aan de democratische rechtsstaat’, aldus de Onderwijsraad. 

Door de sterke differentiatie in ons onderwijssysteem, komen kinderen met verschillende sociale achtergronden elkaar echter steeds minder tegen. In het voortgezet onderwijs (VO) worden zij steeds vaker al in de brugklas volledig gescheiden naar onderwijsniveau, waarna het lastig overstappen is. Onderzoek heeft herhaaldelijk aangetoond dat deze vroege selectie nadelig uitpakt voor kinderen uit lagere sociaal-economische milieus. Ook in het primair onderwijs (PO) blijken groepen kinderen al uit elkaar te groeien, doordat het gevarieerde aanbod in schooltypen groepen ouders met verschillende achtergronden aantrekt. Zelfs voorschoolse voorzieningen zijn, hoe goedbedoeld ook, gescheiden voor zogenaamde ‘doelgroepkinderen’.

Kinderen krijgen zo onvoldoende de kans in aanraking te komen met andere inzichten en waarden, te leren omgaan met verschillen en te werken aan sociale samenhang. Terwijl, zoals de Onderwijsraad ook stelt ‘de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen.’

Elkaar opzoeken is geen hogere wiskunde

De adviezen van de Onderwijsraad zijn dan ook niet verrassend. Kern van de boodschap: verminder differentiatie waar mogelijk en verbeter de doorstroommogelijkheden. De raad pleit voor gezamenlijke voorschoolse voorzieningen, brede brugklassen waarin kinderen nog niet direct op niveau worden ingedeeld en 10-14 onderwijs, waar de overgang van PO naar VO soepeler verloopt en de selectie wordt uitgesteld. Ook zouden verschillende schoolsoorten meer moeten samenwerken en op dezelfde locatie aangeboden moeten worden. 

Van veel van deze maatregelen is al langer bekend dat zij de kansenongelijkheid terug zouden kunnen dringen. Het wordt dan ook de hoogste tijd om hier vaart mee te maken. De regering werkt aan diverse wetten om de doorstroom naar hogere onderwijsniveaus te vereenvoudigen: wanneer een leerling van vmbo naar havo of van havo naar vwo wil overstappen, moet dit op basis van heldere wettelijke criteria mogelijk zijn en mogen scholen geen aanvullende eisen meer stellen. 

Veel andere maatregelen blijven echter uit of worden overgelaten aan ‘het veld’. Zo roept minister Slob scholen op om regionaal het gesprek aan te gaan om zo tot een dekkend aanbod van brede brugklassen te komen, maar laat hij vooralsnog alle ruimte aan categorale gymnasia of vmbo’s. Gelukkig pakken sommige schoolbesturen de handschoen wel op. Een van de prioriteiten van de VO-raad is de flexibilisering van de overgang van PO naar VO. 10-14 Scholen zijn een mooi voorbeeld van hoe vanuit de praktijk geleidelijk aan aanpassing van het onderwijsstelsel gewerkt kan worden. 

Eigen kind eerst of een duurzame toekomst

Dat sommige effecten al lang bekend zijn, wil echter niet zeggen dat er gemakkelijke en pasklare oplossingen zijn voor kansenongelijkheid. We hebben niet alleen te maken met wat de wet toestaat en hoe scholen hier vorm aan geven, maar ook met het keuzegedrag van ouders. Zij hebben de vrijheid om op zoek te gaan naar een school die past bij hun achtergrond en levensovertuiging en zetten begrijpelijkerwijs hun eigen hulpbronnen in ten behoeve van hun kind. Niemand verbiedt hun de buurtschool voorbij te fietsen richting een school met een bijzonder onderwijsconcept of ‘ons soort mensen’, te investeren in bijles, of om in gesprek met de leerkracht voor een hoger schooladvies te pleiten. Wel zouden ze zich af kunnen vragen wat hun verantwoordelijkheid is naar de samenleving, én wat echt in het belang van hun kind is: wat heeft het nodig om te functioneren in een democratische en pluriforme samenleving? Uiteindelijk ligt de bal echter niet bij de individuele ouder, maar zal de overheid de kaders moeten aanpassen waarbinnen scholen en ouders hun weg kunnen zoeken. 

Ook onder leerkrachten leeft het thema kansengelijkheid. Op de onderwijsonderzoeksconferentie ResearchED (3) kon je hier in elke ronde wel een workshop over volgen en bij andere workshops leidden vragen over de gevolgen voor kansenongelijkheid soms tot hoogoplopende emoties. Denkt men bij het op de schop nemen van het onderwijssysteem bijvoorbeeld wel aan hoe belangrijk ‘traditionele’ vakken als taal en rekenen zijn voor kinderen met een lagere sociaal-economische achtergrond? En zonder rijke leeromgeving thuis, komen kinderen misschien niet meteen met eigen leervragen en ‘challenges’? Door Monique Marreveld, hoofdredacteur van Didactief, werd een helder overzicht gepresenteerd van de processen en mogelijke maatregelen op verschillende niveaus, van onderwijsbeleid, via besturen en scholen tot aan de leerkracht. Deze laatste zou bij advisering echt naar het kind zelf moeten kijken en niet naar kenmerken van het gezin (lees meer hierover op pagina 18). Geef het kind een kans, is het devies. 

Spiegel van de samenleving toont ook het lelijke gezicht

Bij verschillende discussies op ResearchED rees ook de vraag wat ‘gelijke kansen’ en ‘eerlijk onderwijs’ precies betekenen. De inspectie definieert het als ‘gelijke kansen voor gelijk presterenden’, maar je kunt je natuurlijk afvragen of die prestaties dan wel zo’n objectieve standaard zijn en of deze reden mogen zijn om kinderen verschillend te behandelen. Ook de vraag of we niet af moeten van de termen ‘hoog- en laagopgeleid’ blijft terugkomen. Het lijkt mooi om dit los te laten, want wat is er ‘hoger’ aan theoretisch onderwijs, maar tegelijkertijd is het wat hypocriet in een samenleving waar het opleidingsniveau behoorlijk bepalend is voor bijvoorbeeld de hoogte van je inkomen.

Sowieso hangt de discussie natuurlijk samen met bredere ongelijkheid en segregatie in de samenleving. Want hoe leer je kinderen omgaan met verschillen, als je zelf een homogene vriendengroep hebt, een huis koopt in een gesegregeerde buurt en op Facebook het nieuws uit je eigen filterbubbel leest? Laten we niet alleen de onderlinge ontmoeting voor onze kinderen beter organiseren, maar hier zelf gelijk aan meedoen, bijvoorbeeld op het schoolplein.  

1      Inspectie van het Onderwijs (2018). Staat van het onderwijs 2016-2017. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.  OECD (2018). Education at a Glance 2018: OECD Indicators. Parijs: OECD Publishing.  UNICEF Office of Research (2018). An Unfair Start: Inequality in Children’s Education in Rich Countries, Innocenti Report Card 15, UNICEF Office of Research. Florence: Innocenti. 
2      Onderwijsraad (2019). Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Stand van educatief Nederland 2019.  Den Haag: Onderwijsraad.
3 https://researched.eu/2019-downloads/

Raadpleeg de helpdesk

Voor al uw vragen kunt u terecht bij de VOO helpdesk.

Helpdesk

Deze week stond in het teken van de vrijwillige ouderbijdrage. Op 1 augustus wordt de wet van Peter Kwint en Lisa Westerveld van kracht. Deze wet bepaald dat kinderen niet mogen worden uitgesloten van activitei ...