Column – Marco Frijlink, voorzitter Vereniging Openbaar Onderwijs
Twee basisscholen, een paar kilometer uit elkaar. Dezelfde doorstroomtoets, dezelfde referentieniveaus voor taal en rekenen. Op de ene school moet 68,3% van de leerlingen het streefniveau halen, anders komt de school bij de Inspectie in beeld met een mogelijk onvoldoende op de leerresultaten. Op de andere school is 30,3% genoeg. Om het tastbaar te maken: in een groep 8 van dertig kinderen moeten er op de eerste school eenentwintig over de lat, op de tweede tien. Het verschil zit niet in wat de kinderen potentieel kunnen. Het zit in wie hun ouders zijn.
Een paar weken geleden schreef ik hier over de motie van de Kamerleden Biekman, Rooderkerk (D66) en Moorman (PRO), die de regering oproept te onderzoeken hoe voor alle scholen dezelfde signaleringswaarde voor het streefniveau kan gaan gelden. Opvallend genoeg gaf het kabinet de motie vooraf ‘oordeel Kamer’ mee (geen ontrading dus) en de motie werd met kamerbrede steun aangenomen. Ik beloofde toen in een volgende bijdrage uit te leggen hoe deze systematiek precies werkt en wat eraan kan worden gedaan. Bij deze.
De achtergrond van je ouders bepaalt de norm van je school
Het komt erop neer dat de Inspectie basisscholen op twee indicatoren beoordeelt: het percentage leerlingen dat het fundamentele niveau haalt (1F, het basisniveau taal en rekenen dat elk kind zou moeten beheersen) en het percentage dat het streefniveau haalt (1S voor rekenen, 2F voor taal). Voor 1F geldt voor alle scholen dezelfde ondergrens: 85%. Voor het streefniveau niet. Daar hangt de norm af van de zogenoemde schoolweging, die het CBS voor elke school berekent op basis van vijf kenmerken van de gezinnen: het opleidingsniveau van de ouders, het herkomstland, de verblijfsduur van de moeder in Nederland, of het gezin in de schuldsanering zit en het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op de school.

Scholen worden zo ingedeeld in twintig categorieën, en per categorie geldt een andere lat: van 68,3% bij de ‘lichtste’ populatie tot 30,3% bij de ‘zwaarste’. Een verschil van 38 procentpunten. De Inspectie bedenkt dat niet zelf: artikel 10a van de Wet op het primair onderwijs schrijft voor dat leerresultaten worden beoordeeld in vergelijking met scholen met een vergelijkbaar leerlingenbestand, en de minister stelt de tabel vast in de Regeling leerresultaten PO 2020.
Bedacht met de beste bedoelingen
Hoe is dit zo gekomen? De referentieniveaus komen uit 2008, van de commissie-Meijerink. Die formuleerde er één landelijke ambitie bij, voor álle kinderen: minimaal 85% haalt het fundamentele niveau, en minimaal 65% haalt het streefniveau; het niveau dat je nodig hebt om je in de maatschappij te kunnen redden. Eén lat, voor iedereen dezelfde. Ruim tien jaar later, vanaf schooljaar 2020/2021, ging de Inspectie scholen ook daadwerkelijk op die referentieniveaus beoordelen, via wat sindsdien het onderwijsresultatenmodel heet. Daarbij diende zich een op zich reëel probleem aan: als je alle scholen langs dezelfde meetlat legt, krijgt een goede school in een “moeilijke” wijk al snel het stempel “onvoldoende” voor iets wat buiten haar macht ligt. Ouders melden hun kinderen dan niet meer aan, leraren solliciteren liever elders, en de school die het al zwaar had krijgt het nog zwaarder. Het is te begrijpen dat daar een oplossing voor werd gezocht.
Alleen is toen een verkeerde afslag genomen. Rekening houden met de leerlingpopulatie deed de Inspectie vóór 2020 trouwens ook al: hoe meer ‘gewichtenleerlingen’ een school had, hoe lager de eindtoetsscore mocht uitvallen. Die gewoonte is bij de invoering van het onderwijsresultatenmodel gewoon voortgezet. Toch veranderde er iets belangrijks. Een eindtoetsscore was een kaal getal: een 535 zegt op zichzelf niemand iets. Een referentieniveau beschrijft juist wat een kind moet kúnnen: welke teksten je moet begrijpen, welke sommen je moet beheersen om straks mee te kunnen komen. Van zo’n norm zou je verwachten dat hij voor ieder kind hetzelfde is. In plaats daarvan werd de ambitie van Meijerink opgeknipt in twintig verschillende latten, afhankelijk van wie er in de klas zit. Daarmee werd de norm waarvan je zou willen dat die absoluut is, relatief. Er werd niet gekozen voor één lat, met extra steun voor de scholen die dat nodig hebben; de lat zelf ging omlaag voor die scholen. Hoe dat uitpakt, zie je als je kijkt waar de percentages in de tabel eigenlijk vandaan komen.
De lat ligt waar de onderste tien procent van de scholen begint
Je zou denken dat achter een norm als 68,3% of 30,3% een opvatting schuilgaat over wat kinderen nodig hebben om goed mee te komen in het vervolgonderwijs en in de samenleving. Nou, dat is dus niet zo. De Inspectie legt op haar eigen website uit hoe de signaleringswaarden voor het streefniveau zijn bepaald: ze zijn zo gekozen dat in elke schoolwegingscategorie ongeveer 10% van de scholen eronder uitkomt.
Lees die zin gerust nog een keer. De lat ligt niet waar een kind iets moet kunnen. De lat ligt waar de onderste tien procent van de vergelijkbare scholen begint. Het is geen norm, het is een rangschikking. De vraag wat een kind nodig heeft is bij het bepalen van deze percentages niet gesteld, er is alleen gekeken naar wat scholen met soortgelijke leerlingen halen. Terwijl het antwoord op die eerste vraag er allang lag: daarvoor waren de referentieniveaus nu juist bedacht. Ter herinnering: bij de introductie van de referentieniveaus was de landelijke ambitie dat 65% van álle kinderen het streefniveau haalt. Voor een school met de hoogste schoolweging ligt de lat nu op 30,3% — niet eens de helft daarvan. En omdat scholen met veel kinderen uit kansarme gezinnen nu eenmaal lager scoorden, werd die achterstand rechtstreeks in de norm ingebakken — en bij de laatste actualisering van de tabel, in 2024, gebeurde dat op precies dezelfde manier opnieuw. Het stelsel accepteert daarmee dat een flink deel van deze kinderen het streefniveau niet haalt. Sterker nog: het CBS-getal waarop de hele schoolweging is gebaseerd, heet letterlijk de ‘verwachte onderwijsscore’ van de leerling.
“Alsof leraren denken: norm binnen, ik mag stoppen”
Op mijn eerdere bericht hierover kwamen ook kritische reacties, en die verdienen een serieus antwoord. Een leerkracht schreef:
“Maar met het aanpassen van een norm, eis of wens verandert er niets. (…) Alsof leraren nu denken: yes, norm is binnen ik mag stoppen met mijn werk.”
En een oud-bestuurder:
“Wat een flauwekul. Denken dat je stuurt via de normering van scholen.”
Wat aan beide reacties opvalt: ze gaan ervan uit dat er een minimumnorm bestaat die voor alle kinderen gelijk is, en dat de rest ambitie is. Was het maar zo. Voor het streefniveau bestaat die gelijke norm juist niet.
En sturen we dan niet via de normering van scholen? Ik heb in de praktijk gezien hoe bestuurders met de rapportages van hun scholen omgaan. Ze kijken welke school onder de norm zit, en daar gaat de aandacht naartoe: gesprekken, ondersteuning, geld, zo nodig een interventie. Volstrekt logisch, daar zijn die rapportages voor. Maar het betekent ook: de school die boven haar verlaagde lat zit, is geen probleem, ook niet als twee derde van de kinderen daar het streefniveau mist. Geen leerkracht kijkt naar die tabel, dat klopt. De bestuurder kijkt er wel naar, en de bestuurder bepaalt waar de aandacht en de middelen heengaan. Zo sijpelt een lage verwachting van bovenaf de organisatie in, zonder dat iemand zich lijkt te realiseren wat er echt gebeurt.
Wat lage verwachtingen met kinderen doen, legt emeritus hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles uit in een interview dat wij onlangs met hem hadden. Kinderen die opgroeien in gezinnen met een lagere sociaal-economische status hebben precies dezelfde potentie als andere kinderen, maar gaan zich gedragen naar wat er van hen wordt verwacht, het bekende pygmalioneffect. Wie thuis minder kansen krijgt, zou op school juist méér aangeboden moeten krijgen, niet minder. De Inspectie weet dat overigens ook: sinds 2023 staat in haar eigen onderzoekskader dat leraren hoge verwachtingen tonen van alle leerlingen, en het uitgangspunt daarbij is (ik citeer de toelichting), dat “alle leerlingen in staat zijn om bijvoorbeeld de vereiste referentieniveaus te halen”. Dus in het ene kader van de Inspectie kan elk kind de referentieniveaus halen, terwijl het andere kader vastlegt dat we dat van een groot deel van de kinderen niet verwachten. Dat is wel heel erg verwarrend.
Het mooiste bewijs voor hoe diep dit misverstand zit, leverde diezelfde oud-bestuurder. Na haar ‘flauwekul’ vervolgde zij met een pleidooi om het gewenste eindniveau van ieder kind gewoon landelijk vast te leggen, want “ieder kind heeft recht op een minimumniveau. Op welke school hij/zij ook zit.” Precies. Dat is wat de motie beoogt. We blijken het roerend eens te zijn.
Geef scholen geld, niet een lagere lat
Er zijn twee dingen tegelijk waar. Je moet een school eerlijk beoordelen, rekening houdend met haar startpositie. En je moet voor elk kind dezelfde ambitie hebben. Het huidige model perst die twee in één oordeel, en verlaagt daarmee de lat voor het kind onder het mom van eerlijkheid tegenover de school.
De oplossing is die twee uit elkaar te halen. Beoordeel de school op wat zij toevoegt: de leergroei van haar leerlingen, gegeven waar ze binnenkwamen. Dat is pas echt eerlijk, en het beloont juist de scholen die er met een moeilijke populatie het meeste uithalen. Houd daarnaast het referentieniveau overeind als publiek doel dat voor élk kind gelijk is, en maak per school zichtbaar in hoeverre dat wordt gehaald. Dan blijft de werkelijke achterstand in beeld, in plaats van dat een ‘voldoende’ hem aan het zicht onttrekt. Scholen met een uitdagende populatie hebben vervolgens geen lagere lat nodig, maar meer middelen om hun kinderen over dezelfde lat te helpen.
De motie is aangenomen, het kabinet heeft haar niet ontraden; nu komt het aan op de uitvoering. De minister kan de normverschillen tussen de wegingscategorieën al fors verkleinen door de Regeling leerresultaten aan te passen, want daar is geen wetswijziging voor nodig. Maar zolang artikel 10a WPO de vergelijking met ‘een vergelijkbaar leerlingenbestand’ voorschrijft, blijft dat lapwerk. Uiteindelijk moet de wet zelf op de schop: beoordeel de school op wat zij toevoegt, en laat voor elk kind weer één doel gelden.
En bestuurders en schoolleiders hoeven daar niet op te wachten. De signaleringswaarde is een ondergrens, geen ambitie. Dus stel je eigen doelen vast op wat kinderen nodig hebben, niet op wat de Inspectie als ondergrens beschouwt. Van élk kind mag je veel verwachten. Nee, móet je veel verwachten.
Op de hoogte blijven van al het VOO-nieuws?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven
Nieuwsbrief Medezeggenschap
Wekelijks actualiteiten en tips voor iedereen met een rol in de medezeggenschap.
Nieuwsbrief Kansengelijkheid
Maandelijks inzicht in thema's rond gelijke kansen in het onderwijs.
Nieuwsbrief Openbaar onderwijs
Maandelijks inzicht in actualiteiten binnen het openbaar onderwijs.
* vereiste velden