Vandaag werden de resultaten gepresenteerd van het Programme for International Student Assessment, ook wel PISA. De resultaten waren dit keer wéér niet erg gelukkig stemmend: Nederlandse kinderen zijn vergeleken met andere Europese vijftienjarigen behoorlijk slechte lezers. Alleen de Griekse kinderen scoren lager dan wij. Op de exacte vakken doen we het gelukkig niet slechter dan in 2022 – maar helaas niet beter dan vóór 2022. Alleen bij wiskunde doen onze leerlingen het nog redelijk goed.
De conclusies die hieruit getrokken zullen worden liggen voor de hand: het onderwijs moet aan de bak, zeker als het gaat om lezen (al zullen er ook partijen zijn die vinden dat we de resultaten niet al te serieus moeten nemen). Hoe dat ‘aan de bak’ er uit ziet, daar zullen de meningen ongetwijfeld over verschillen. Dit zijn onze gedachten er over:
Slecht presterende leerlingen hebben vaak laagopgeleide ouders
Al sinds onze oprichting in 1866 kijkt de VOO naar kansenongelijkheid in het onderwijs: bieden we kinderen wel de mogelijkheid om verder te komen in het leven en zo nee, wat kan er beter? Als we vanuit deze bril naar de PISA-resultaten kijken dan valt het op dat het met name de leerlingen zijn in het praktijkonderwijs (pro), het vmbo-basis en het vmbo-kader die het door PISA-gewenste minimumniveau niet halen – of het nou gaat om wiskunde, lezen of de natuurwetenschappen. En hoewel de vwo’ers en de havisten ook slechter zijn gaan lezen, is het vooral het structureel lage niveau van de vmbo-groep dat het landelijk gemiddelde drukt.
Deze op de PISA-meting slecht presterende vmbo- en pro-leerlingen hebben vaak ouders die zelf niet zo veel onderwijs hebben gehad. Sommige mensen zullen dan stellen dat het dus logisch is dat deze kinderen het minimumniveau niet halen -intelligentie is toch erfelijk? Ook de Onderwijsinspectie lijkt zo te redeneren: op scholen waar veel kinderen op zitten met een lage sociaaleconomische status wordt de lat immers lager gelegd.
Hokjesdenken laat ons verschillen accepteren
En daar zit precies het probleem dat we vandaag weer terugzien: door de lage verwachtingen die de overheid heeft van onze vmbo-kader- en pro-leerlingen (ook in de tijd dat ze nog op de basisschool zaten) bieden we ze niet het onderwijs dat ze nodig hebben om dat minimumniveau wél te behalen. Ons hokjes denken – ieder op z’n 12de in het juiste onderwijsvakje – zorgt er voor dat we die grote verschillen gewoon accepteren.
In de zomer werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen
In de zomer werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen van de leden Biekman Rooderkerk en Moorman, waarin wordt gesteld dat de Onderwijsinspectie op basis van de leerlingpopulatie geen lagere eisen zou mogen stellen aan de te behalen schoolresultaten. Deze motie heeft de VOO van harte toegejuicht. Er is immers niets zo funest voor kinderen als te lage verwachtingen. Dan kun je er gewoon op rekenen dat hun leeruitkomsten tegenvallen. In het erkennen van dit mechanisme ligt een urgente opdracht voor ons onderwijs.