Interview met Drs. Mustapha Khaddari, adviseur Familieschool in Amsterdam
Op 10 september publiceerde de Onderwijsraad een rapport over de relatie tussen ouders en scholen; die zou zijn verslechterd. Volgens de Onderwijsraad hebben veel van de botsingen tussen school en ouders te maken met nieuwe wetten die recht geven op ondersteuning – denk aan passend onderwijs en de ‘Wet versterking positie ouder en leerlingen’. Daarnaast zou het steeds moeilijker zijn om via bestuur en medezeggenschap invloed uit te oefenen op het schoolbeleid. De Onderwijsraad adviseert om bij het ontwikkelen van beleid meer rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de relatie tussen ouders en docenten en om ouders meer te betrekken bij de schoolgemeenschap.
Over hoe je die ouders meer kunt betrekken sprak ik met Mustapha Khaddari, voormalig adjunct-directeur van de Indische buurtschool. Zijn ideeën hierover pakten in de praktijk zó goed uit, dat de school in 2021 aanmerking kwam voor het predicaat ‘Familieschool’. Dat gaf de positieve relatie waar ouders en school in terecht waren gekomen nog een extra slinger; de (financiële) ruimte die hierdoor ontstond maakte nóg meer verbindende initiatieven mogelijk. Inmiddels is Khaddari ‘adviseur Familieschool’ van de gemeente Amsterdam.
Interview
Nog voor ik de kans heb om een vraag te stellen valt Khaddari me in de rede. Hij heeft bezwaar tegen mijn simpele samenvatting van het probleem dat aanleiding was om de Onderwijsraad haar adviesbrief te laten schrijven: “Ik praat zelf nooit over ‘moeilijke ouders’. Ik noem ze liever zéér betrokken ouders. Dat ze zich soms zorgen maken is heel begrijpelijk. Ze laten hun dierbare kind bij je achter. Het is dus logisch dat ze willen begrijpen wat er gebeurt.”
Laten we beginnen bij het begin; dus nog vóór u betrokken raakte bij de familiescholen. U was toen adjunct-directeur bij de Indische Buurt School en had de taak om ouderbetrokkenheid te bevorderen. Hoe pakte u dat aan?
Ik begon met kijken en luisteren. Wat opviel was dat er een grote kloof was tussen ouders en school. We stuurden bijvoorbeeld een brief voor een ouderavond en dan kwam er bijna niemand opdagen. Ik wilde weten wat daarachter zat. Mijn eigen culturele achtergrond was daarbij handig. Uit ervaring weet ik dat sommige ouders zóveel respect hebben voor de leraren dat ze denken ‘wat zou ik in een gesprek nog toe te voegen hebben als ouder’. Als je deze manier van denken snapt dan kom je minder tegenover elkaar te staan. Dan realiseer je je dat het gewoon een andere zienswijze is. Ik heb altijd geprobeerd om op deze manier naar alle ouders te kijken. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste problemen tussen ouders en school voortkomen uit een gebrekkige communicatie over wat ouders en school van elkaar verwachten.
Wat heeft u gedaan met dit inzicht?
Om te beginnen zijn we begonnen met het organiseren van individuele startgesprekken aan het begin van het schooljaar. Die gesprekken waren niet alleen bedoeld om elkaar – ouders, leerkracht, kind- beter te leren kennen en te vertellen wat wij als school belangrijk vinden, maar ook om te benadrukken dat de leerling ‘ons’ kind was niet alleen ‘hun’ kind. Door die gezamenlijkheid te benadrukken en heel bewust het woord ‘ons’ te gebruiken kom je al nader tot elkaar.
Waarom koos u ervoor om die gesprekken meteen aan het begin van het schooljaar te houden?
Omdat je dan nog helemaal blanco tegenover elkaar staat. Er is dan nog geen sprake van vooroordelen. Het doel van zo’n gesprek is echt om een positief contact op te bouwen. Hier kun je dan later weer op voortborduren. Daarnaast biedt het de gelegenheid om afspraken over hoe je met elkaar in contact gaat blijven.
U benadrukt dat een respectvolle houding cruciaal is tijdens dit soort contactmomenten. Hoe ziet dat eruit?
Voor mij zit hem dat in oprechte interesse. Dat gaat verder dan alleen vragen stellen. Het zit ook in je lichaamshouding bijvoorbeeld, in ruimte bieden om te spreken, oogcontact etcetera. Voor mij was het heel belangrijk dat je ook de ouders die niet zo goed Nederlands spraken het gevoel gaf dat ze welkom waren en serieus werden genomen.
Zijn alle leraren in staat om op een goede manier dit soort startgesprekken te voeren?
Daar kun je niet van uit gaan. Wij trainden de leraren daarom om dit soort gesprekken op een goede manier te voeren. We leerden ze de ouders te vragen naar de talenten van hun kinderen bijvoorbeeld, om actief te luisteren en door te vragen als antwoorden een beetje vaag bleven. Met dit soort training voorkom je dat gesprekken oppervlakkig blijven. Dat is cruciaal voor een goede samenwerking; dat krijg je alleen als ouders en kind het gevoel hebben dat ze echt gezien worden door de school. En nogmaals, dat is geen trucje. Die oprechte en betrokken houding moet je uitstralen in alles wat je doet en zegt. Als je met een goedbedoelende deskundige komt aanzetten op een ouderavond die gortdroog meedeelt dat we in Nederland om zes uur naar Sesamstraat kijken, kinderen daarna eten en om zeven uur in bed leggen – dit heb ik echt meegemaakt – dan straal je geen respect uit naar ouders. Dat is betuttelend en niet nieuwsgierig.
Kunt u een voorbeeld geven van wat je als docent tegenkomt tijdens een gesprek en wat je kunt doen om die samenwerking te versterken?
Als wij aan ouders vragen wat hun wensen zijn als het gaat om onderwijs horen we nog weleens dat ze wat extra huiswerk willen voor hun kinderen – bijvoorbeeld omdat hun kind moeite heeft met rekenen. Die wensen nemen we serieus maar dat betekent niet dat we er voor honderd procent in mee gaan. We zullen eerst voorstellen om eens goed te onderzoeken of het echt nodig is dat een kind meer gaat oefenen. Als daar wel wat inzit maken we een plan met de ouders. Ik zeg dan bijvoorbeeld: ‘ik zal zorgen dat hij op vrijdagmiddag een extra som mee naar huis krijgt maar dan wil ik graag afspreken dat u ervoor zorgt dat die som op maandag wordt ingeleverd oké?’. Hiermee benadrukken we de gezamenlijk taak die we hebben als school en ouders.
Wat heeft deze manier van denken over ouderbetrokkenheid de school opgeleverd?
Los van die startgesprekken zijn we gaan experimenteren met tal van andere manieren om ouders te betrekken. Om wat vaker vaders op school te krijgen zijn we ongeveer 16 jaar geleden begonnen met voetbalavonden. Dat werd een groot succes. Inmiddels zijn de voetbalvaders een begrip op school – als bijvoorbeeld de gymzaal moet worden ingericht voor de grote feesten dan worden zij ingeschakeld voor de zware klussen. Denk aan de installatie van het podium, de geluidsinstallatie en de verlichting.
Maar er zijn meer initiatieven. Er zijn opendagen waarop ouders mee mogen kijken in de klas zodat ze thuis hun kinderen beter kunnen helpen. We organiseren taallessen op school voor de ouders die nog niet goed Nederlands spreken en er zijn informatieavonden over taal, rekenen en de ander vakken. Daarnaast organiseren we avonden waarin we ouders met elkaar in contact brengen. Deze zogenaamde Ouders-Ontmoeten-Ouders avonden worden op laagdrempelige manier georganiseerd met eten, drinken en opvang voor de kinderen. Er worden diverse onderwerpen besproken en op de slotavond vertellen de ouders die dat willen hun eigen verhaal. Dit project loopt nu meer dan 25 jaar op school.
Dat is al lang, wat was de aanleiding om hier mee te beginnen?
Het idee voor Ouders-Ontmoeten-Ouders ontstond meer dan 26 jaar geleden tijdens een ouderavond. Er kwamen toen slechts drie ouders opdagen. Een van hen woonde al meer dan 22 jaar in Nederland, maar sprak nauwelijks Nederlands. Hij vertelde dat hij op zijn werk bijna nooit een echt gesprek met zijn Nederlandse collega’s voerde. Het ging alleen over het werk en de opdrachten die hij moest uitvoeren. Hij was daarom blij dat de school ouders de kans gaf om andere ouders te ontmoeten en met elkaar in gesprek te gaan. Zijn woorden bleven bij mij hangen. En zo werd dit ene gesprek de aanleiding om structureel momenten te organiseren waarop ouders elkaar konden ontmoeten, ervaringen konden delen en met elkaar in gesprek konden gaan.
En toen werden jullie in 2020 geselecteerd om officieel een ‘Familieschool’ te worden. Wat houdt dat in?
Scholen die het predicaat ‘familieschool’ dragen bieden allerlei extra’s. Ze ondersteunen niet alleen het kind maar ook het hele gezin. Daarvoor werken ze nauw samen met ouders en bieden ook na schooltijd allerlei extra activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren. Met het extra geld dat dit predicaat ons als school opleverde konden we ook weer allerlei nieuwe, verbindende projecten starten. Ik ben bijvoorbeeld erg trots op de keuken die ik op school heb laten bouwen. Tijdens de kooklessen leren kinderen niet alleen verschillende gerechten en recepten maken, maar oefenen ze tegelijkertijd met taal en rekenen. Ze wegen ingrediënten, meten hoeveelheden af, rekenen uit wat ze nodig hebben en lezen samen recepten. Zo leren ze dezelfde vaardigheden, maar op een praktische en andere manier. Daarnaast biedt het ook de ouders de kans om met elkaar in contact te komen.
Zou de familieschool het antwoord kunnen zijn op de regelmatig terugkerende vraag hoe we de relatie tussen ouders en school kunnen verbeteren?
Ja, de manier waarop ouders en school hier samenwerken verdient in mijn ogen echt navolging. Daarnaast is het grote voordeel van zo’n predicaat dat je elkaar makkelijker kunt vinden en van elkaar kunt leren- je hebt immers allemaal hetzelfde voor ogen. Verder zorgt het nauwe contact dat deze familiescholen hebben met de gemeente ervoor dat je makkelijker iemand aan de lijn krijgt als je iets van de gemeente nodig hebt. En de gemeente is weer beter op de hoogte van wat er speelt op de scholen. Het is echt een win-win situatie.