Column Marco Frijlink
Er was een periode waarin je op een onderwijscongres de schoolbestuurders er zo uit kon pikken. Niet aan hun badge, maar aan hun schoenen. Opvallend, een tikje eigenwijs en natuurlijk van een goed merk, vaak uit de wat hippere lijnen van Floris van Bommel en Van Lier. Ik had ze ook. Niemand had het afgesproken, maar zo ging het wel.

Hoe uniek we ook denken te zijn, we registreren voortdurend wat in onze groep gewoon is, en we houden daar rekening mee. Robert Cialdini en Noah Goldstein beschreven helder dat we ons laten beïnvloeden omdat we de werkelijkheid goed willen inschatten, betekenisvolle relaties willen onderhouden en een positief zelfbeeld willen bewaren. Wie meebeweegt, hoort erbij. Bij bestuurders leverde dat kennelijk een opvallende schoenenmode op.
Voor opgroeiende kinderen daarentegen is het een mijnenveld, zeker in de sociale context van de school. Neurowetenschapper Sarah-Jayne Blakemore laat al jaren zien dat het ‘sociale brein’ zich in de puberteit sterk ontwikkelt en dat leeftijdgenoten in die jaren meer invloed hebben op wat ze doen en vinden dan daarvoor. En juist in die jaren moet je twee dingen tegelijk. Je bent bezig met de vraag bij welke groep je wilt horen, en je bent aan het uitzoeken wie je zelf bent. Onderwijspedagoog Gert Biesta ziet daarin twee van de drie dingen die onderwijs altijd doet: socialisatie en subjectificatie. Socialisatie gaat over je voegen in een bestaande orde, subjectificatie over het moment waarop je daar als jezelf uit stapt. Die twee schuren regelmatig.
Hoe open en vrijgevochten we Nederland ook vinden, het is voor een leerling nooit makkelijk geweest om te ontdekken dat je afwijkt van de rest van je omgeving en al helemaal niet dat je afwijkt van de stilzwijgende verwachting dat iedereen hetero is. Ik ken niemand die zonder zenuwen uit de kast is gekomen. Iedereen beleeft het afwijken van ‘de norm’ op haar, hen of zijn eigen manier. En iedereen verdient het daar zoveel mogelijk eigen ruimte voor te krijgen.
Minder dan de helft denkt dat een homoseksuele klasgenoot open kan zijn
Twee weken geleden verscheen het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut, gehouden onder duizenden scholieren in het po en vo. Hieruit bleek dat onder jongens in het voortgezet onderwijs het aandeel met een positieve houding tegenover homoseksualiteit tussen 2021 en 2025 flink daalde. Ter illustratie: op de stelling ‘Homoseksuele jongens en lesbische meisjes mogen mijn vrienden zijn’, daalde het aantal leerlingen dat hierop positief antwoorde van 77,5% in 2021 naar 59,7% in 2025.
Het cijfer dat mij nog het meest raakt, gaat over de dynamiek op middelbare scholen zelf. Het aandeel jongeren dat denkt dat homoseksuele of lesbische leerlingen op school durven uitkomen voor hun geaardheid, daalde van 60 naar 45 procent, meldt de NOS. Dat gaat niet meer over wat leerlingen zelf van homoseksualiteit vinden, maar over wat ze om zich heen zien: hoeveel ruimte er op school is om open te zijn over wie je bent.
Op de scholen merken ze dat ook. NOS Stories vroeg eind 2024 middelbare scholen naar hun ervaringen met Paarse Vrijdag. Driekwart van de ongeveer 125 scholen die reageerden, meldde onenigheid rond de dag: posters die van de muur werden gerukt, oproepen om juist in het zwart te komen, verhitte discussies. Leerlingen vertelden over regenboogvlaggen die in brand werden gestoken. Sommige scholen vervingen de dag door een algemene respectdag, een ‘Be Yourself-dag’, of organiseerden helemaal niets meer.
Wie naar school moet, mag rekenen op een veilige school
We moeten niet naïef zijn. De school is een mini-samenleving en we kunnen niet verwachten dat daar alles goed gaat. Tegelijk is iedereen het erover eens dat de school een veilige omgeving moet zijn, al was het maar omdat je aan leren niet toekomt als je je niet veilig voelt.
Er is ook een zwaardere reden. Een kind heeft geen keus. Je moet naar school, en daar is in principe geen ontsnappen aan. Dat legt een zware plicht op ons (als samenleving, en meer specifiek, als verantwoordelijken voor het functioneren van scholen) om te zorgen voor een omgeving waarin leerlingen zich veilig en geaccepteerd voelen. Dat is geen particuliere opvatting van mij, maar dat staat expliciet in de wet. Het is dus een opdracht aan de school, aan de schoolleiding en daarmee aan het hele team om hiervoor te zorgen en het er doorlopend met elkaar over te hebben hoe dat het best kan.
Een paars shirt is een klein gebaar dat aankomt
Paarse Vrijdag komt uit Noord-Amerika. In 2010 zette scholier Brittany McMillan de eerste Spirit Day op, na een reeks zelfdodingen van gepeste lhbti-jongeren in de Verenigde Staten. Paars staat in de regenboogvlag voor ‘spirit’. In december van datzelfde jaar volgde Nederland met Paarse Vrijdag. Volgens COC begon het bij scholieren van een Friese school, en vieren sinds 2020 ook basisscholen de dag. Dit jaar valt Paarse Vrijdag voor het eerst in oktober, op verzoek van de scholen zelf. Jaarlijks doen bijna drieduizend schoollocaties mee.
Het idee is eenvoudig. De leerling die worstelt met de eigen seksuele identiteit ziet op die dag dat een leerkracht paars draagt, dat er posters hangen en dat klasgenoten meedoen. De boodschap is: je mag er zijn, en als het nodig is staan we achter je.
Dat zo’n gebaar ertoe doet, is het best onderzocht voor de GSA’s, de Gender & Sexuality Alliances: leerlingengroepen die Paarse Vrijdag op veel scholen mede organiseren. Een meta-analyse van vijftien studies met bijna 63.000 leerlingen, vooral uit Noord-Amerika, laat zien dat lhbti-leerlingen op scholen met een GSA minder vaak homofobe opmerkingen horen, minder vaak gepest worden en minder vaak bang zijn voor hun veiligheid. Dat gold voor alle lhbti-leerlingen, niet alleen voor wie zelf lid was. Ook in Nederland is het onderzocht. Op 139 middelbare scholen bleek dat leerlingen op scholen met een GSA inclusiever denken over seksuele diversiteit, en dat homo-, lesbische en biseksuele leerlingen het daar veiliger vinden om open te zijn over wie ze zijn.
Geen misverstand: slordig georganiseerd kan Paarse Vrijdag averechts werken. Marieke van der Gaag en Bram Eidhof beschreven op NIVOZ wat er mis kan gaan. Een leerling vertelde hun over de week rond Paarse Vrijdag, waarin de negatieve opmerkingen over homoseksualiteit in de school hun hoogtepunt bereiken: “(…) is de meest onveilige week van het jaar voor mij. Het is hel.”
Daar mogen we niet lichtzinnig overheen stappen. Maar de les die de auteurs eruit trekken, gaat over voorbereiding. Alleen vieren, zonder leerlingen vooraf kennis bij te brengen over seksuele en genderdiversiteit, zet weinig zoden aan de dijk. Het team en de ouders moeten mee. Ook het Nederlandse onderzoek wijst die kant op: minder pesten zie je vooral waar de school naast de GSA zelf ook werk maakt van een aanpak tegen pesten. Het antwoord op een slecht georganiseerde Paarse Vrijdag is een beter georganiseerde Paarse Vrijdag.
Wie Paarse Vrijdag schrapt, kiest voor de hardste schreeuwers
Met Paarse Vrijdag duwen we niemand iets door de strot. Het is niet te ‘woke’, niet opdringerig en niet onzedig. Niemand hoeft er iets voor op te geven. Het is een heel klein gebaar naar iedereen die zich niet helemaal thuis voelt in de heersende norm: je mag er zijn, ik ben er voor je, ik sta achter je als dat nodig is.
Juist daarom is het ook zo heftig als een school ermee stopt. Een school die Paarse Vrijdag laat vallen omdat er te veel weerstand is, geeft een krachtig signaal af: wij laten onze oren hangen naar de hardste schreeuwers, en als het erop aankomt zijn we er niet voor je. De school doet dan precies wat die worstelende leerling elke dag al voelt te moeten doen: zich voegen naar de groep.
Hetzelfde geldt, iets subtieler, voor de school die er een algemene respectdag van maakt. Dat klinkt verbindend, en natuurlijk verdient iedereen respect en heeft iedereen het recht zichzelf te zijn. Maar een dag voor iedereen is een dag voor niemand. Op een Be Yourself-dag mag ook de leerling die homoseksualiteit afwijst gewoon zichzelf zijn. De school kiest dan geen kant meer. En de leerling die zich afvraagt of het op school veilig is om te zeggen op wie je verliefd wordt, leert vooral dat de school dat onderwerp liever niet bij naam noemt.
Het onderwerp zelf is sowieso niet vrijblijvend. Sinds 2021 staat in de wet dat het onderwijs leerlingen kennis over en respect bijbrengt voor verschillen in onder meer godsdienst, afkomst, geslacht en “seksuele gerichtheid” (artikel 8, derde lid, onder c, WPO). Voor het voortgezet onderwijs geldt hetzelfde. In de kerndoelen voor de basisschool en de onderbouw van het vo staat het al sinds 2012, met de toevoeging “waaronder seksuele diversiteit“. De overheid heeft het onderwerp dus twee keer bewust en expliciet benoemd. En in de wet staat ook: ” Het bevoegd gezag (…) creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen.”
Over de vorm zijn scholen vrij. De toenmalige staatssecretaris (Paul) onderschreef in 2024 in antwoord op Kamervragen volmondig dat aandacht voor seksuele diversiteit belangrijk is, en voegde eraan toe dat het scholen vrijstaat dat via Paarse Vrijdag “of op een andere manier” te doen. Dat klopt. Alleen zet dit zinnetje de deur open naar de Be Yourself-dag, of helemaal geen dag, in tijden dat het hele concept onder druk staat. Op Gendi, het platform van de door OCW ondersteunde Stichting School & Veiligheid, staat bij de tips voor basisscholen:
“Besluiten jullie niet mee te doen? Dan is daar vast een goede reden voor.”
Gendi voegt eraan toe dat een school dan moet nagaan wat nodig is om de veiligheid te vergroten, zodat ze misschien volgend jaar wel meedoet. Dat lijkt redelijk. Maar vooral de keuzevrijheid van scholen benadrukken terwijl de acceptatie onder jongeren zo hard daalt, is misschien niet heel constructief.
Wettelijk taak van schoolleiding én van MR
Dat brengt me tot slot bij de medezeggenschap. De Wet medezeggenschap op scholen geeft de MR de taak om in de school te waken tegen discriminatie op welke grond dan ook (artikel 7, tweede lid). De MR mag over alle aangelegenheden die de school betreffen voorstellen doen. Het bevoegd gezag moet daar, na overleg met de MR, binnen drie maanden schriftelijk en met redenen omkleed op reageren (artikel 6, tweede lid). Voor regels op het gebied van het veiligheids- en welzijnsbeleid heeft het bevoegd gezag de instemming van de MR nodig (artikel 10, onder e).
Mijn advies aan MR’s is dus: vraag ernaar. Doet jullie school komende vrijdag mee? Zo niet, waarom niet? En wat doet de school dan wél voor de leerling die zich niet thuis voelt in de heersende norm? Staat dat in het veiligheidsbeleid? Komt er geen bevredigend antwoord, doe dan een formeel voorstel op grond van het initiatiefrecht.
En als je als MR (en dat komt helaas ook voor) kritisch bent op het organiseren van Paarse Vrijdag en het faciliteren van een GSA, realiseer je dan dus dat de schoolleiding een wettelijke opdracht heeft om én expliciet aandacht te besteden aan de verschillen die er tussen leerlingen zijn, waaronder verschillen in seksualiteit, én moet zorgen voor een veilig schoolklimaat, waarin elke leerling zich geaccepteerd weet. Daar hoort de MR dus ook gewoon aan bij te dragen.
En aan alle bestuurders en schoolleiders en leerkrachten vraag ik: houd vol, ook als het gedoe oplevert. Bereid het goed voor, neem ouders en team mee, en laat die ene dag niet verwateren. Volg wat je schoenkeuze betreft gerust je eigen peer-group, maar draag komende vrijdag alsjeblieft iets paars.